“In deze gevangenis in Heerhugowaard hebben gedetineerden een eigen sleutel”

In gevangenis Zuyder Bos in Heerhugowaard zag schrijfster Christine Otten hoe gevangenen prima kunnen samenleven zonder bewakers. Zelfredzaamheid is efficiënter – en goedkoper. ‘Wil je soep?’

 

Soms, heel even, vergeet hij waar hij is. Die volière bijvoorbeeld, hij is nu bijna af, alleen nog wat lakken; als je er van een afstandje naar kijkt, is het net een schilderij, die diamantduifjes, zebravinkjes en gouldamadines in die witte lijst, zie je het? Daar is over nagedacht. Dat is honderd procent focus. Begrijp je wel?

Voor Gilles is de tuin zijn leven, zijn wereld. Elke ochtend om vijf voor half acht, als de stalen deur van zijn kamer (cel is een rotwoord; hij woont hier) opengaat, is-ie er klaar voor. Weer of geen weer. Zeven dagen per week. Buffelen. Onkruid wieden, rode kool of aardappelen van het land halen, pijpen voor de riolering trekken, bestrating vernieuwen… Een uurtje pauze tussen de middag. Boterhammetje eten. Joe Bonamassa in de cd-speler. Ogen dicht. Het ritme, de blues, brengt hem buiten de muren. Op zijn Harley scheuren over de prairie in Amerika… Elk liedje een eigen herinnering. The Doors doen ’m aan Tony denken, een oude maat die dood is. Fischer-Z aan een andere maat, ook al dood. ‘Going to a Go-Go’ van de Stones en hij staat met mensen uit Canada in de Kuip naar z’n lievelingsband te kijken.

Een gevangenis blijft een gevangenis, hoe humaan het beleid ook is.

De kunst is je te concentreren op herinneringen. Er is geen toekomst. Levenslang is levenslang in Nederland, ook al strijdt zijn vrouw voor heropening van zijn zaak en ook al heeft staatssecretaris Dijkhoff aangekondigd de wet te willen aanpassen, waardoor hij, eventueel, na 25 jaar… Niet aan denken. Tot kwart voor vijf, als-ie weer achter de deur moet, is Gilles buiten. De tuin is de trots van Penitentiaire Inrichting Zuyder Bos in Heerhugowaard. Alles wat je ziet, deze oase van kleur en schoonheid verborgen tussen de hoge vaalgele gevangenismuren, de bloeiende planten, bomen, de vijver met de karpers en steuren en goudvissen, het tuinhuis waar bewaarders een sigaretje roken, de kassen waar komkommers groeien en pepers, jalapeño, madame Jeanette, noem maar op, allemaal biologisch en bestemd voor de Voedselbank – eten die gezinnen ook eens vers spul – hebben hij en zijn team, oké, samen met de werkmeesters, bedacht en aangelegd.

Hij wil maar zeggen: gedetineerden zijn niet dom. Nou ja, sommigen wel natuurlijk, maar hij bedoelt dat je de mensen de kans moet geven. Als levenslang gestrafte mocht hij hier eerst ook niet zijn, laat staan met gereedschap werken, écht gereedschap: slijptol, hamers, beitels, de hele mikmak; bang dat-ie op een of andere manier zou weten te ontsnappen. Schei toch uit. Juist het vertrouwen van het personeel maakt dat-ie zich een beetje mens voelt. Voorman van de tuinploeg is-ie! Hij heeft ook elders gezeten, in Lelystad bijvoorbeeld, daar is-ie acht jaar terug getrouwd, de foto’s heb je gezien, niet te vergelijken met hier. Grijze depressieve boel. Stugge bewaarders. God verhoede het dat de regering zo stom is deze inrichting te sluiten. Niet alleen voor hemzelf – hij is zestig, een taaie, van kleins af al moeten knokken om te overleven, hij redt zich hoe dan ook wel – maar die jonge gasten die straks weer buiten staan, die moeten een toekomst voor zichzelf kunnen bedenken, anders gaan ze zo weer de fout in. En er is nog zoveel te doen hier, het plan is een hoveniersopleiding te beginnen samen met de LOI, waar mannen een diploma kunnen halen en…

‘Begrijp je wel?’ Gilles staat op. Boomlange vent. Vriendelijke blik. ‘Ik ga aan het werk. Ik zie je.’

Foto: Peter de Krom
76 cent per uur

De zon brandt in mijn nek. Hier zo buiten aan de picknicktafel, tussen al dat groen en die zee van bloemen, zou je bijna denken dat alles gewoon is. Een keer of acht ben ik inmiddels in de gevangenis van Heerhugowaard geweest. Na de eerste bezoeken werd ik ’s nachts badend in het zweet en buiten adem wakker: ik was verdwaald; zat opgesloten in een smalle tl-verlichte gang; kon nergens naartoe. Als me één ding duidelijk is geworden tijdens dit avontuur, dan is het wel dat een gevangenis een gevangenis blijft, hoe humaan het beleid ook is. Dat je je vrijheid om bijvoorbeeld ‘de auto te pakken en een stukje te rijden’, zoals Eddy, een langgestrafte gedetineerde het formuleert, kwijt bent; en meestal meer: je werk, je inkomen, je huis, je vrouw, je kinderen soms, of je toekomst. Basale dingen als een mobiele telefoon en internet heb je niet. Je zit met wildvreemden opgescheept op een afdeling; ’s avonds en ’s nachts alleen met jezelf. Je werkt voor 76 cent per uur. Geestdodend werk als je pech hebt zoals sponsjes inpakken. Je mag een uur luchten per dag (mits je in de tuin werkt). Niet echt een hotel dus.

Het is belangrijk dit aan het begin van dit verhaal te vertellen, want Zuyder Bos (242 gedetineerden, waaronder relatief veel langgestraften) is een bijzondere gevangenis, een van de ‘meest innovatieve’ in ons land, aldus burgemeester Ter Heegde van Heerhugowaard, reagerend op de aangekondigde sluiting eerder dit jaar vanwege cellenoverschot door vergrijzing en afnemende criminaliteit. Vorige week opende Koning Willem Alexander, ondanks dat overschot, de spiksplinternieuwe gevangenis in Zaanstad waar plaats is voor duizend gedetineerden. De helft van de cellen is ingericht voor dubbele bewoning, een gruwel voor de meeste gedetineerden omdat je dan helemaal geen privacy hebt. ‘Zelfredzaamheid’ is het nieuwe toverwoord waarmee de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) haar beleid positioneert: gedetineerden meer zelfstandigheid geven, een sleutel van de eigen cel, via een scherm digitaal zelf afspraken maken met de dokter of bezoek regelen, boodschappen bestellen, boeken lezen (de bibliotheek kan dicht), speciale (beveiligde) looproutes maken zodat ze vrijer kunnen rondlopen; allemaal om ze beter voor te bereiden op hun terugkeer in de maatschappij, en ondertussen efficiënter (en goedkoper) te werken.

De ironie wil dat Zuyder Bos in Heerhugowaard al jaren ver voor de troepen uitloopt als het gaat om zelfredzaamheid. Daarom ben ik hier; geïnteresseerd geraakt tijdens een ontmoeting vorig jaar met de inmiddels gepensioneerde algemeen directeur Frans Douw, die me vertelde over de afdeling E1, waar acht langgestraften samenleven zónder personeel en de oudste (levenslang) gedetineerde het beheer heeft over de keukenmessen. Het experiment was bedacht door Henk Dijkstra, toen nog gedetineerde, nu vrijwilliger op het reïntegratiecentrum in Zuyder Bos, en PIW’er (penitentiaire inrichtingswerker) Jack Visser, toen de inrichting vier jaar geleden ook al gesloten dreigde te worden. Het is maar één van de vernieuwingen. In Zuyder Bos bestellen en koken de gevangenen zelf hun eten. Er is een klusteam dat werkzaamheden binnen de gevangenis (behalve sloten en beveiligingsapparatuur!) en op de luchtplaatsen en sportvelden verricht en zo tonnen bespaart. Er worden toneellessen gegeven.

Douw had het over werken vanuit ‘vertrouwen en liefde in plaats van repressie’. Het klonk te mooi om waar te zijn in een tijd waarin de roep om hardere straffen vaker klinkt en niet één politieke partij, ook geen linkse, werkelijk geïnteresseerd is in het lot van gedetineerden. In Zuyder Bos zijn maar weinig geweldsincidenten en het lijkt erop dat dat komt door het humane beleid en de vergaande zelfredzaamheid. PIW’ers zeggen dat ze, in vergelijking met andere gevangenissen, minder gedetineerden terug zien komen naar Zuyder Bos.

‘Ik ben een ontsnappingskunstenaar’ | Foto: Peter de Krom
Een koekenpan in je nek

Vrijdagmorgen. Half elf. Stipt. Tijd is alles in de gevangenis. Een paar dagen eerder was ik om twintig over twaalf in plaats van de afgesproken twaalf uur op de afdeling E1 omdat ik moest wachten tot een PIW’er mij door de afgesloten gangen kon loodsen, en ik voelde de scepsis bij de mannen. Ben je wel echt geïnteresseerd? Te vertrouwen? Nu zitten vier van de acht gedetineerden om de grote tafel in de keuken annex gezelschapsruimte, waar ook een lederlook ligbank staat, een televisie en een biljart. Voor het raam dat uitkijkt over het sportveld staan potten met verse peterselie en koriander. ‘Koffie, thee?’ Eddy zet twee stukken zelfgebakken boterkoek voor me op tafel. ‘Had ik beloofd, toch?’ Hij is een tanige, rustige vijftiger die met Gilles in de tuinploeg werkt, maar op vrijdag heeft iedereen een paar extra uren ‘ontspanning’. Op het gas pruttelt een grote pan en een kruidige geur vult de ruimte. Max, de oudste, een Molukse man met vaderlijke, charismatische uitstraling, kookt elke dag voor de ploeg. De gang waar de cellen op uitkomen, blinkt je tegemoet. Het contrast met bijvoorbeeld de afdeling van Gilles, de C0, waar 31 mannen zitten, opgesplitst in twee gangen – in de volksmond ook wel ‘Bijlmer’ (kortgestraften; rommelig, rumoerig) en de ‘PC Hooft’ (langgestraften; netjes, rustig) genoemd, verwijzend naar de eeuwige wrijving tussen beide groepen – is groot. Op de E1 hoor je geen dampende hiphop of geschreeuw en geroep, maar een vaag gekrijs van zeemeeuwen buiten, in de verte. In het kantoortje waar gewoonlijk PIW’ers hun werk doen, staat een fitnessapparaat.

De mannen houden elkaar in het gareel; één misstap en je ligt eruit en wat erger is: het hele experiment is naar de klote.

Als ik straks weg wil, moet ik Max vragen een bewaarder te bellen om me te halen. Ik ben op visite, zo voelt het. De acht mannen die hier wonen, zitten allemaal zware straffen uit. ‘Je zit hier niet voor het stelen van een auto, zeg maar,’ zegt Eddy. Toch voel ik me net zo veilig als wanneer ik bijvoorbeeld bij mijn buren op bezoek ben. Nog niet zolang geleden doorzocht een speciaal team de cellen van de mannen op smokkelwaar: mobiele telefoons, steekwapens, drugs, harde porno, noem maar op. Niets vonden ze. Zero! De mannen houden elkaar in het gareel; één misstap en je ligt eruit en wat erger is: het hele experiment is naar de klote. De gedetineerden op E1 mogen vrij door de hele inrichting lopen, en als ze willen (extra) mee luchten met een andere groep. Hun cel gaat om acht uur dicht in plaats van kwart voor vijf.

Pablo: ‘Ik wist niet wat me overkwam. Voor het eerst in twee jaar heb ik tussen de middag een dutje gedaan op de bank in de keuken.’
‘Je hoeft niet steeds over je schouder te kijken,’ zegt Eddy. ‘Geen gasten met grote bekken. Doe dit of doe dat voor me! En als je daar geen zin in hebt kun je de volgende dag een koekenpan in je nek krijgen.’
Max: ‘We zijn allemaal persoonlijk gevraagd of we hier naartoe wilden. Je moest onberispelijk gedrag hebben. De vorige directeur kwam elke maand met een ploegje personeel met ons praten over hoe het gaat, wat er beter kan, wat niet…. Dat ze je als gelijkwaardig zien, als mens, en niet als gedetineerde… Daarom draait het eigenlijk.’
‘Je hebt een fout begaan, maar je blijft een mens,’ zegt Pablo.

Jerrol is een jonge vent. De informele woordvoerder van de groep; weegt elk woord voordat hij het uitspreekt. In zijn vorig leven werkte hij als IT’er, nu helpt hij andere gevangenen in het reïntegratiecentrum digitaal de weg te vinden naar opvang, woningen en sollicitaties voor na hun detentie. ‘Veel bewaarders praten tegen je alsof je een kind bent, of achterlijk. Dat is verschrikkelijk. Als je lang op zo’n grote afdeling zit, wordt je asociaal. Het is toch de bedoeling dat je in de gevangenis het licht ziet of zo en gaat nadenken over je leven? Het idee achter zelfredzaamheid en onze afdeling is dat gedetineerden talenten hebben die je kunt inzetten zodat iedereen er beter van wordt.’

Max: ‘Maar het werkt alleen in een kleine groep. Zodra die groter wordt, krijg je kliekjes. Wil je soep?’ Ik knik van ja. ‘Graag.’ De soep is eigenlijk voor vanavond. De mannen eten gezamenlijk, een unicum in de gevangenis. ‘Eigenlijk net als in een gezin,’ zegt Jerrol. Tijdens het eten wordt er gepraat. Hoe was je dag? Misschien is dat nog wel het allerbelangrijkst: dat je met elkaar praat, elkaar steunt als er problemen zijn met de kinderen, zoals gisteren nog met het zoontje van een van de mannen, die was weggelopen bij z’n moeder. ‘Dan vreet je je eigen op. Je kunt niets doen vanuit de bak, hè? Ja, bellen. Maar je bént er niet. Dat is zo heftig. Op zo’n moment heb je veel aan elkaar.’

Eddy: ‘Je kunt je gevoel uiten. Op een andere afdeling ben je meteen een mietje.’

Foto: Peter de Krom
Levenslang

Wanneer ik de afgelopen maanden in mijn vriendenkring vertelde over Zuyder Bos en de gedetineerden met wie ik zulke inspirerende gesprekken had, stuitte ik nogal eens op weerstand. En de slachtoffers dan? Ze hebben toch erge dingen gedaan?

‘Mij interesseert het geen moer wat ze gedaan hebben,’ zegt Jack Visser, senior PIW’er met een sonore, warme stem. ‘Ze zijn al gestraft. Wie ben ik om dat nog eens over te doen?’ In andere inrichtingen waar hij werkte, leerde hij hoe het níét moet. Bewaarders die gevangenen constant in de gaten houden, treiteren soms, net zo lang op een gesloten celdeur tikken totdat de gedetineerde door het lint gaat. Tuurlijk, dat zijn incidenten, de meeste bewaarders deugen, maar toch. ‘Als een gedetineerde ’s ochtends geprikkeld is als de deur opengaat, snap ik dat. ’s Nachts ga je malen, zeker als je alleen bent. Dan ga ik rustig zitten met zo iemand. Ik realiseer me altijd dat de lijn tussen hen en mij heel dun is. Als ze aan mijn kleinkind komen, weet ik ook niet waartoe ik in staat ben.’

De code in de bajes is dat je niet aan een ander vraagt waarvoor je zit. Ik doe dat ook niet; toch vertellen vrijwel alle gedetineerden die ik spreek over hun delict, soms in bedekte bewoordingen, meestal de volle verantwoordelijkheid nemend, alsof je alleen zo je waardigheid behoudt en tegelijkertijd iets aflegt: schaamte, spijt. ‘Eén seconde, je doet iets, een impuls, en je leven is kapot,’ zegt Max. Negentien jaar zit hij al binnen. Zijn ouders stierven in die tijd. Zijn kinderen werden volwassen, kregen zelf kinderen. Zijn vrouw werd ongeneeslijk ziek. Ga er maar aan staan. ‘Ik accepteer mijn straf, maar ik heb moeite met de manier waarop die straf wordt opgelegd.’

Levenslang. Bijna nergens in Europa is dat ook echt levenslang. Het Europese Hof heeft Nederland op de vingers getikt: onmenselijk. Ieder mens heeft recht op hoop. ‘Je bent niet dezelfde als toen je binnenkwam. Die haat die ik als Molukker had tegen Nederland, vanwege het onrecht en verdriet dat mijn ouders, mijn volk, is aangedaan, dat hou je niet vol.’

Bijna staat hij op het punt te zeggen: laat me maar. Hoe het leven buiten die vier muren tegenwoordig is, weet hij niet; hoe computers werken… Zijn trots als Molukker houdt hem overeind. Net als het vertrouwen van Jack Visser en diens collega Vanessa, met wie hij over alles praat (behalve over zijn medegedetineerden; nog zo’n bajescode). De rode doek met het portret van Che Guevara, die als een gordijn voor het raam van zijn cel hangt en waarnaar hij kijkt als-ie op bed ligt, geeft hem troost.

Je kunt je gevoel uiten. Op een andere afdeling ben je meteen een mietje.

‘Je denkt dat je alles in de hand hebt als je jong bent. Je denkt niet goed na. Je denkt: ik ga dat doen, en dan loopt het zo. Daarom zit ik hier. Er zijn dingen gebeurd die niet hadden moeten gebeuren.’ Jerrol zit een lange straf uit voor iets ouds, maar de echte straf, het ziekmakende en allesverterende schuldgevoel, heeft hij allang doorleefd in de jaren dat hij een normaal leven probeerde te leiden met een gezin en een baan en een huis. ‘Maar ik was heel gesloten, zelfs naar mijn eigen vrouw. Ik lachte bijna nooit.’ Het geheim uit zijn jeugd at hem van binnenuit op. Hoewel hij zo’n lange straf eigenlijk niet meer nodig heeft – niet voor hemzelf tenminste, hij zit zijn straf uit voor de samenleving, die wil toch een soort vergelding – heeft hij nu pas, nu hij niets meer hoeft op te houden en in Zuyder Bos is, op de afdeling E1 met intelligente mannen als Max en de anderen, het idee dat hij langzamerhand transformeert in de man die hij bedoeld was te worden. ‘Ik durf open te zijn, mezelf te laten zien.’

Foto: Peter de Krom
Druk en impulsief

‘Boef!’
‘Goed zo jochie!’
Dinsdagochtend. Op het grasveld op de luchtplaats knuffelt Henny zijn hond, Boef. Die naam vond-ie wel passen bij de gedrongen stafford, een killer, getraind om andere honden te doden en daarna weggedaan, afgedankt als oud vuil. ‘Maar eigenlijk is-ie heel lief. Je moet gewoon geduld hebben en vertrouwen, lief tegen ’m zijn. Ik kan mijn hand in zijn bek doen als ik ’m een brokje geef.’

Verderop op het gifgroene veld zijn de anderen bezig met hun honden, die allemaal een gedragsprobleem hebben. De rijzige Brown met Shy, een nerveuze onberekenbare labrador, die aan hem is toegewezen vanwege zijn rustige karakter. ‘Ik noem ’m nu Shine, want hij is van zijn verlegenheid af en straalt.’ Aggie, kort voor Achmed, met Chico. ‘Ze plakken al snel een etiket op zo’n dier, hè? Hij is helemaal niet agressief!’ Het gaat over de hond, maar ook over henzelf. De dieren zijn verwaarloosd of mishandeld als pup, uit de auto gezet of getraind om te vechten en wonen nu in een asiel. Onder leiding van Marlies en Alexandra van Dutch Cell Dogs, een stichting die uitgaat van het herstelvermogen van hond én mens, trainen ze de dieren in zestien weken zodat ze uiteindelijk geadopteerd kunnen worden door een leuk gezin of persoon. Trainen is vooral goed gedrag belonen met een brokje en niet boos worden als de hond niet luistert. De gedetineerden voelen dat feilloos aan. Na afloop krijgen ze een certificaat en een foto van hun hond.

Dit is week acht. Marlies, een stoere, kleine vrouw met een natuurlijk overwicht, is streng. ‘Jullie laten teveel de teugels vieren vandaag, jongens. Concentreren! Terwijl jullie met ze spelen, láden die honden, ze bouwen agressie op. Je wilt toch niet dat ze worden afgemaakt straks? Knallen moeten we!’

‘Wil jij even met Boef, Wes?’ PIW’er Wesley Worm bindt de buidel met hondenbrokken om. Hij heeft me net trots verteld hoe Henny, kind van verslaafde ouders, hier buiten tot rust komt met zijn hond, zelfvertrouwen opbouwt en daardoor steeds minder agressief reageert als het hem niet lukt op te boksen tegen de oudere gedetineerden. ‘Het liefst zou ik Boef zelf adopteren,’ zegt Henny, die in december vrijkomt. ‘Boef is net als ik: druk en impulsief. Daarom begrijp ik ’m zo goed.’

‘Die menselijkheid, hè’

‘Ik klaag niet. Ik ben een crimineel. Dan moet je niet piepen als het misgaat.’ Henk woont in de cel naast die van Gilles. Tatjana Šimić levensgroot naakt aan de muur; een aquarium met vissen op het bureau; uitzicht op de tuin. ‘Als Gilles het gras maait en die lucht komt naar binnen… Ik wil hier niet meer weg.’ Hij is het type niet om zich beter voor te doen dan-ie is. Een boefje sinds zijn ouders hem naar een internaat stuurden omdat-ie zo druk was en niet naar school wilde. ‘Die internaten waren broeinesten. En ik wilde vrij zijn, op vakantie wanneer ik er zin in had. Oké, binnen zitten is niks, maar dat is het risico.’

Die menselijkheid, hè? Dat ze me gewoon aankeek. Ik heb daarna nooit meer wat uitgespookt.

Zijn halve leven zit-ie al in de bak. Hij kent de meeste gevangenissen van binnen, ja, ook de iso’s, de isolatiecellen, de gesloten afdelingen, want, eerlijk is eerlijk, hij was geen gemakkelijke jongen. Dat-ie nu al weer jaren rustig op de C0 zit, waar hij voor zijn buurman zorgt die ook een lange straf uitzit en ziek is en zero familie heeft, een praatje ’s ochtends, zorgen dat-ie af en toe nieuwe shirts en ondergoed krijgt – zo is Henk óók namelijk, ruwe bolster, blanke pit zeg maar – mag in de krant. Toen-ie nog vogeltjes had in plaats van vissen – en eentje was ziek, het vrouwtje, had-ie zelf nog met de hand grootgebracht – liet hij Piet, de PIW’er, de dierenambulance bellen. Zie je het voor je? Een zware jongen met zo’n vogeltje? Affijn. ‘Ik weet nog goed: mijn eerste dag hier. Zegt die bewaarster tegen me: “Als ik moet geloven wat jij allemaal hebt gedaan in andere inrichtingen, durf ik hier nog niet met twee PIW’ers te zitten.” Die vrouw kijkt me aan, haar hand op mijn dossier. Zegt ze: “Dit schuiven we aan de kant. We beginnen overnieuw. Jij wordt verantwoordelijk voor het washok.” Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Die menselijkheid, hè? Dat ze me gewoon aankeek. Ik heb daarna nooit meer wat uitgespookt.’

Foto: Peter de Krom
Misbruik, verwaarlozing

Ik begin me thuis te voelen in Zuyder Bos. De gevangenis is net een dorp, een parallelle wereld bijna. Hoe gaat-ie? Kopje thee bij Gilles in zijn cel tussen de middag. ‘Ik zou bijna zeggen: doe alsof je thuis bent.’ Schuilen voor een zomerse regenbui tijdens het luchten op de binnenplaats. PIW’er Dennis (tatoeages op beide armen) op de C0 die me koffie aanbiedt en in de gauwigheid vertelt dat hij zich hier meer op z’n plek voelt dan in de inmiddels gesloten Bijlmerbajes, waar hij eerst werkte, omdat daar zo’n ‘machocultuur’ heerste. Het gebouw is geen doolhof meer. Boven, op de eerste verdieping, als je binnenkomt meteen rechts de trap op, langs de bibliotheek (die door bezuinigen gesloten dreigt te worden) en het lege zaaltje waarin tot voor kort ‘Crea’ zat waar je kon schilderen en zo (gesloten door bezuinigingen), is het reïntegratie- en opleidingscentrum. Wichert van Bethlehem (kort geknipt stekelhaar, priemende blik in een gebruind gezicht) is daar de onderwijzer. ‘Ik relativeer mijn eigen rol steeds meer,’ zegt hij. ‘Ik zie heus jongens veranderd de poort uit lopen, maar dat doen ze helemaal zelf. Ik faciliteer.’ Als er iemand nadenkt over zelfredzaamheid in de gevangenis, en passant zijn eigen rol daarin kritisch beschouwt, is hij het. ‘Je moet nogal als je vooruit wilt hier. Opleidingen zijn duur; de meeste jongens verdienen 15 euro per week. Je kunt alleen schriftelijk examens afleggen. Dan haken de meesten af. Een langgestrafte hier – hij maakt ook de kabelkrant – heeft een speciale taalcursus voor laaggeletterden ontwikkeld; twee aan twee werken ze ermee. Prachtig. Ik coördineer de boel. Zoiets zingt zich rond. Als het even kan, zetten we een academie op voor ervaringsdeskundigen.’

Mensen, zegt hij, als werkwoord: dat is wat hij vooral doet. Praten, contact maken. Niet: ‘kansen bieden’, want dan verheft hij zich boven hen. ‘De meeste jongens hebben niet eens een eerste kans gehad. Ga met ze praten: vaders die dronken of afwezig waren, moeders die de hoer speelden of de boel niet aankonden, slaag, misbruik, verwaarlozing. Niet allemaal, maar de meesten.’ Niet gezien worden, daar komt het volgens Van Bethlehem op neer. Kan hij zelf trouwens over meepraten. Hij wil niet in detail treden, maar in wezen heeft-ie zichzelf grootgebracht. Zat-ie huilend op zijn kamertje boven en beneden hing-ie vervolgens de clown uit. Hij bedoelt maar. Dat soort verborgen pijn, die een destructieve kracht wordt als je niet uitkijkt. Dat herkent hij. Maar dat is hij zich pas de laatste tijd bewust geworden; dat inzicht, die groei, heeft hij aan de gedetineerden te danken. ‘Ik ging erover nadenken waarom mijn ego gekieteld werd als een gevangene zei dat ik een bijzondere man ben.’ Misschien dat daarom die gesprekken met hem zo goed werken. ‘Ik heb wél pedagogiek gestudeerd; les gegeven aan kermiskinderen, gereisd. Als ik dan zo’n gast tegenover me heb die zulke kansen niet heeft gehad, maar wél al die klappen in z’n snufferd, die hier in een trechter wordt gegooid waar hij zijn bek moet houden en hem alle initiatief wordt ontnomen, als zo’n jongen na tien minuten breekt en zich openstelt, zeg ik: “Wat ben jij bijzonder.” Dan is er contact. Gebeurt er iets.’

Actiebereide burgemeester

Ongevraagd praat niemand over de dreigende sluiting van de inrichting, waarover de volgende regering moet beslissen. Alsof zwijgen het gevaar bezweert. Het speelt in ieders achterhoofd. ‘Het is toch volslagen zinloos zo’n tuin te bouwen om hem vervolgens te vernietigen?’ zegt Gilles, een zweem van wanhoop in zijn blik. PIW’er Jack Visser, die zich na de laatste succesvolle acties om ‘Heerhugowaard’ open te houden had voorgenomen om zich voor zijn eigen gezondheid rustig te houden, raakte zo van streek toen hij op zijn vakantieadres in Kroatië hoorde dat ‘zijn’ inrichting wéér op de nominatie staat gesloten te worden, dat hij stante pede een brief schreef aan alle fractievoorzitters in de Tweede Kamer. ‘Bijna 30 jaar doe ik dit werk, ben geestelijk beschadigd, lichamelijk meerdere keren aangevallen (de tanden staan nog in mijn lichaam gegraveerd als aandenken). Toch sta ik iedere dag weer klaar om te trachten delinquenten op andere gedachten te brengen. Door onze vernieuwende aanpak in Heerhugowaard namelijk gedetineerden zelfredzaam (bedacht door ons en niet een nieuwtje van Zaanstad) te laten zijn met personeel wat pedagogischer ingesteld is werpt zijn vruchten af. (…) Ik weet dat ik als eerlijke werker niets heb in te brengen maar de rek is eruit (…)’ De SP antwoordde dat ze het plan om (succesvolle) inrichtingen te sluiten niet zullen steunen. Ook de PvdA reageerde positief op Vissers emotionele oproep. Marianne Vos, sinds begin dit jaar vestigingsdirecteur, zegt dat ze juist hier wilde werken vanwege het innovatieve beleid. ‘Nergens zitten zoveel langgestraften; wij hebben een expertise die vernietigd zou worden. En deze gevangenis is in de gemeenschap geworteld. Zelfs de burgemeester is actiebereid.’

De meeste jongens hebben niet eens een eerste kans gehad.

Uit de kast

Dinsdagochtend. Negen uur. Eén voor één druppelen de aspirant-acteurs binnen in het onderwijslokaal. Een man of vijf. De blik naar binnen gekeerd na een nacht in de cel, armen gereserveerd over elkaar geslagen. Acteur en regisseur Frederik de Groot (bekend van series als De Fabriek, Unit 13 en Bureau Kruislaan), die eerder (als vrijwilliger) toneelproducties maakte met gevangenen in Zuyder Bos, begroet iedereen met een hug. Dat, én koffie, breekt het ijs. Al weken werken ze aan een stuk over ‘eerlijkheid’. Thema en scènes zijn door de gedetineerden bedacht; ze spelen niet zichzelf, maar acteurs in een theaterstuk. Van Bethlehem is de grote regisseur, ‘een soort Paul Verhoeven’. De uitvoering, voor familie van de spelers, is over enkele weken.

‘Oké, we beginnen, iedereen op z’n plaats.’
Als door een toverstok aangeraakt glipt er een soort lichtheid in de stugge lijven van de gedetineerden. Ze springen op, schouders naar achteren, kin omhoog, de gezichten breken open.
‘Heeft iemand van jullie mijn laatste film gezien?’ vraagt Van Bethlehem/Verhoeven.
Alex, daarnet in de lift nog lelijk pratend over de regisseur, pakt diens hand. ‘Het is zo’n eer met u te werken. Ik heb gehuild bij die film.’
Rodrigo, opgewonden: ‘Dat die hoofdpersoon na veertig jaar uit de kast komt… Je ziet het niet aankomen. Machtig. Dan begrijp je ineens…’
‘Stop maar,’ zegt De Groot. ‘Geweldig. Nog een keer.’

Circus Elleboog

Na afloop van de les blijft Rodrigo hangen. Hij is een van de meest gemotiveerde spelers, gaat helemaal op in zijn rol. ‘Als ik niet kon acteren, was ik nooit uit een streng bewaakte gevangenis in het buitenland ontsnapt.’ Grijns van oor tot oor. ‘Ze dachten dat ik advocaat was. Ik zag er netjes uit. Overhemdje, bril op. Ik liep zo naar buiten.’ Nog geen dertig is hij. Charles Dickens meets Jason Bourne, zo klinkt zijn levensverhaal. Als kind door ooms gedwongen uit stelen te gaan. Met dertien jaar van school. Slapen op straat. Liegen om te overleven. Gevangenis in, gevangenis uit. Achtervolgingen door de politie. ‘Ik ben een ontsnappingskunstenaar.’ Alleen is het nu tijd om aan zichzelf te ontsnappen. Over anderhalf jaar is-ie vrij. ‘Ik wil mijn kinderen zien opgroeien.’

Onwillekeurig moet ik denken aan Abel, een jonge jongen met Ethiopische roots, die eerder meedeed in de toneelles, maar inmiddels vrij is. Hoe zou het met hem gaan? Die Hollandse naam kreeg hij van zijn adoptieouders. De les was nog niet begonnen. Buiten krijsten de meeuwen. Abel zong:
Emancipate yourselves from mental slavery / None but ourselves can free our minds / (…) Won’t you help to sing, these song of freedom / ’Cause all I ever had, redemption songs, redemption songs.

Hij zong Bob Marley’s lied met zoveel gevoel dat het stil bleef in het lokaal. Na een poosje vroeg De Groot of-ie een scène had voorbereid. Ja, dat had hij. ‘Toe maar dan.’ Abel stond op, verdween even in de wc en kwam terug als een zwaar verstandelijk beperkte jongen die contact probeerde te maken. De transformatie was totaal, ik zag De Groot kijken. ‘Mijn hemel, jij hebt écht talent. Hoe je dat voorbereidt. Daar moet je iets mee doen.’ Abel straalde, maar hij had ook haast, want over twee dagen zou hij vrij komen en hij moest nog van alles regelen: werk, logeerplek. Weg was-ie. Later die ochtend sprak ik hem. ‘Yes!’ Hij had een sollicitatiegesprek bij een hotel. Hij vertelde dat hij op de jeugdtheaterschool had gezeten en Circus Elleboog; door ruzies thuis was hij in tehuizen terecht gekomen, gaan blowen en… ‘Ik had een grote bek toen ik hier kwam, maar van de langgestraften op mijn afdeling leerde ik dat ik beter gewoon mezelf kan zijn.’ Het was al over twaalven. Abel moest allang terug zijn op de afdeling. Omdat ik hem aan de praat had gehouden, bood ik aan hem te brengen, zodat hij geen moeilijkheden kreeg. Onderweg naar A1 zei hij: ‘Wat zou u doen als u mij was?’

‘Nooit meer blowen en naar de theaterschool gaan.’ Abel kon mijn zoon zijn. ‘In ieder geval gaan spelen. Je hebt gehoord wat Frederik zei, toch?’
‘Ja.’ Een bewaarder opende deur van A1 en Abel stapte naar binnen. Hij stak zijn hand op.
‘Succes,’ zei ik.
Toen viel de deur achter hem in het slot.

Om privacyredenen zijn de namen van de gedetineerden veranderd. Dit verhaal is mede tot stand gekomen dankzij een bijdrage van het Fonds Bijzondere Journalistieke producties.

ideefix

Jan Bruin | marketing & communicatie

Jan@stichtingideefix.nl